Aktueel

Het BTW-nieuws van Prinsjesdag op een rijtje

Uit het Belastingplan 2019 dat op Prinsjesdag werd gepresenteerd, blijkt dat er op het gebied van de BTW een aantal wijzigingen in de pijplijn zitten. In sommige gevallen zorgen deze voor een administratieve lastenverlichting, maar bij andere regelingen moeten ondernemingen juist maatregelen gaan treffen.

Om de uitvoering van het fiscale stelsel dat in 2019 volgens de plannen van Prinsjesdag moet ingaan te realiseren, wordt onder andere het lage BTW-percentage van 6% verhoogd naar 9%. Op die manier komt er financiële ruimte om de belastingen op inkomen te verlagen. Het belasten van consumptie is namelijk stabieler en heeft minder verstorende effecten dan de belasting op arbeidGoederen en diensten worden dus duurder voor particuliere consumenten. Voor ondernemingen die recht hebben op BTW-aftrek heeft de BTW-verhoging geen effect. Zij kunnen deze BTW aftrekken. Wel moeten ondernemers zich nu al voorbereiden op de tariefsverhoging. Dit zorgt dus voor enige administratieve rompslomp: boekhoudsystemen moeten tijdig worden aangepast en ook is het oppassen geblazen bij facturatie  en BTW-aangifte (tool) bij de jaarovergang. Als diensten pas na 1 januari 2019 worden geleverd, maar al vóór die datum worden vooruitbetaald, moeten ondernemingen bijvoorbeeld alsnog 3% BTW factureren (tool). Bij vooruitbetalingen in 2018 van bijvoorbeeld seizoens- of concertkaarten voor evenementen die pas in 2019 plaatsvinden, geldt nog het 6% BTW-tarief.

In 2020 geen BTW-aangifte meer bij omzet lager dan € 20.000

De huidige kleineondernemersregeling of KOR (tool) die voor de BTW geldt, wordt per 1 januari 2020 gemoderniseerd. Het is de bedoeling dat per die datum de omzet bepalend zal zijn voor de (eventuele) toepassing van de KOR. Het wetsvoorstel gaat uit van een omzetgrens van € 20.000. Ondernemers die onder deze grens blijven, zijn geen BTW verschuldigd en hoeven geen BTW-aangifte (tool) te doen. Dat vermindert de administratieve verplichtingen (tool). Zo’n omzetcriterium wordt in bijna alle andere EU-landen al toegepast. Het bedrag van de omzet is in iedere lidstaat echter wel anders.  Ondernemers die voor toepassing van deze nieuwe facultatieve omzetgerelateerde vrijstellingsregeling van de BTW kiezen, veranderen dus van een BTW-belaste ondernemer (tool) in een BTW-vrijgestelde ondernemer. Het gaat dan om het leveren van goederen en diensten in Nederland én intracommunautaire leveringen vanuit Nederland. Daar staat tegenover dat voor de ondernemer die kiest voor de ‘nieuwe KOR’, de BTW die anderen in rekening hebben gebracht niet aftrekbaar is.

Ruimere werking sportvrijstelling in de BTW

De sportvrijstelling in de Nederlandse BTW geldt op dit moment voor organisaties zonder winstoogmerk, voor sportdiensten die zij aan leden leveren. Het Europese Hof van Justitie vond deze Nederlandse vrijstelling te beperkt. In het Belastingplan 2019 is daarom een verruiming van de huidige sportvrijstelling opgenomen, waardoor die ook gaat gelden voor diensten aan niet-leden. Het gevolg van de verruiming is dat de BTW-heffing voor het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie komt te vervallen. Organisaties kunnen daardoor ook de voorbelasting op de kosten van en investeringen in de sportaccommodaties niet langer in aftrek brengen. Dit betekent een groot nadeel voor deze organisaties. Om dat te compenseren komt er een subsidieregeling voor sportverenigingen en een specifieke uitkering voor gemeenten.

Eenvoudiger BTW-regime in Europa voor elektronische diensten

Het kabinet heeft een voorstel voor de Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel ingediend. Dit richtlijn voor e-commerce regelt de BTW tussen landen binnen de Europese Unie (EU). Een klein deel van deze EU-richtlijn moet met ingang van 1 januari 2019 al worden geïmplementeerd. Het gaat met name om vereenvoudiging van het BTW-regime voor telecommunicatie-, omroep- en elektronische diensten die van toepassing zijn sinds 1 januari 2015. BTW-verplichtingen voor kleinere ondernemers worden hierdoor eenvoudiger. De overige bepalingen van de richtlijn moeten zijn ingevoerd per 1 januari 2021.

(BRON Rendement)